Nieuwsberichten

VSNU-voorzitter Karl Dittrich reageert op de Nationale Wetenschapsagenda

VSNU-voorzitter Karl Dittrich reageert op de Nationale Wetenschapsagenda

Nederland heeft een vernieuwende Nationale Wetenschapsagenda, die bestaat uit 140 grote wetenschappelijke vragen. Op 27 november is de Wetenschapsagenda gepresenteerd aan de ministers van OCW en EZ en de staatssecretaris van OCW. Tegelijkertijd is de Wetenschapsagenda door deze bewindslieden namens het kabinet aan de Tweede Kamer aangeboden.

Het kabinet heeft in 2014 de kenniscoalitie  (KNAW, MKB Nederland, NFU, NWO, TO2, Vereniging Hogescholen, VNO-NCW en VSNU) opdracht gegeven een verbindende agenda voor onderzoek in Nederland te ontwikkelen. Onder leiding van een stuurgroep is daar de afgelopen negen maanden aan gewerkt. Door het opstellen van de agenda zijn wetenschap, bedrijfsleven en maatschappij dichter bij elkaar gekomen. 11.700 vragen, ingediend door betrokken en nieuwsgierige mensen, vormen de basis van de Wetenschapsagenda. VSNU-voorzitter Karl Dittrich is de afgelopen maanden nauw betrokken geweest bij de totstandkoming ervan. Als lid van de stuurgroep is hij medeverantwoordelijk voor de samenstelling van de agenda. Dittrich geeft een nadere reflectie op de inhoud en het proces.


Wat is de grote kracht van deze gezamenlijke agenda?
De kracht is dat deze agenda via een bottom-up proces tot stand is gekomen. Burgers, maatschappelijke organisaties, bedrijfsleven en wetenschappers zijn dichterbij bij elkaar gekomen en bovendien ben ik zeer te spreken over de samenwerking met de partners binnen de kenniscoalitie. Met deze agenda stralen wij nu een stevige  gezamenlijke ambitie uit. De aandacht voor de diversiteit en de kracht van de Nederlandse wetenschap is hiermee alleen maar toegenomen en dat is wat mij betreft pure winst. Het wetenschapslandschap is zeer gevarieerd en over alle disciplines heen wordt waardevol en impactvol onderzoek gedaan. Dat moet ook vanwege de verbinding met het academisch onderwijs. De 140 clustervragen, die zijn gevormd uit 11.700 ingediende vragen, vormen de basis van de NWA. In de gekozen vorm nodigt de NWA uit om gezamenlijk  - wetenschap, bedrijfsleven, overheid, samenleving -  ‘routes’ uit te stippelen door het landschap van de vragen. Het gehele netwerk, van fundamenteel en nieuwsgierigheidsgedreven tot praktijkgericht en toegepast onderzoek, zal in de NWA inspiratie vinden om samen belangrijke vraagstukken aan te pakken. Door de combinatie van clustervragen en routes wordt de hele onderzoeksgemeenschap (alfa, bèta, gamma) bij wetenschappelijke, commerciële en maatschappelijke uitdagingen betrokken. Bovendien is het een dynamische agenda die de komende jaren volop in ontwikkeling blijft.

 

Waarom is de wetenschapsagenda dynamisch te noemen?
Dat moet de agenda zijn, omdat de wetenschap en de samenleving voortdurend in ontwikkeling zijn. Wij moeten die ontwikkelingen kunnen laten landen. Anders wordt het een agenda van wat gisteren belangrijk was, terwijl wij ons juist op de toekomst willen richten. Het is daarom allerminst een sluitstuk van een proces. Het gaat nu pas beginnen. Universiteiten zullen vanuit hun profiel strategische keuzes maken die een herkenbare verbinding leggen met de wetenschapsagenda. Wetenschappers aan onze universiteiten zullen de komende tijd actief participeren in het proces om de routes verder vorm en inhoud te geven en nieuwe routes te ontwikkelen.

Wat betekent de NWA voor universiteiten?
Eigenlijk, zoals ik net noemde, in eerste instantie de actieve participatie van onze wetenschappers bij de uitwerking en verdere ontwikkeling van de verschillende routes. In de tweede plaats dient de NWA wat mij betreft als toetssteen voor verdere zwaartepuntvorming en profilering door universiteiten. Dit proces is ook al in gang gezet. Op sectorniveau zullen wij ook goed in kaart moeten brengen op welke thema’s universiteiten meer kunnen samenwerken. Tegelijkertijd brengt vergelijking van de NWA met de huidige zwaartepunten in onderzoek  eventueel ‘witte vlekken’ aan het licht. Wij willen in ieder geval doorgaan met een verdere profilering op basis van excellentie en maatschappelijke uitdagingen, zoals de afgelopen jaren al is ingezet. In de wetenschapsvisie van het kabinet, die eind 2014 werd gepresenteerd, wordt gesproken over de ‘aftopping van de promotiebonus’. In feite betekent dit dat een deel van het geld dat nu wordt toegekend op basis van  het aantal promoties, straks beschikbaar komt om de inhoudelijke keuzes van universiteiten ten aanzien van de NWA te financieren. Wij willen dus ook een tijdpad en voorstel ontwikkelen voor herlabeling van deze middelen binnen de universiteiten.

 

De kabinetsreactie schiet op sommige punten tekort. Hoezo?
De kabinetsreactie lijkt de voorbeeldroutes uit de NWA als voorlopig eindpunt te nemen en suggereert dat de kenniscoalitie eventueel extra routes “ter bekrachtiging kan voordragen aan het kabinet opdat het aantal ‘richtinggevende’ routes beperkt blijft.” Daarmee wordt de lezer op het verkeerde been gezet. Het is natuurlijk niet aan de politiek of aan bestuurders om een prioritering aan te brengen, dan kunnen we uiterlijk na vier jaar, als een kabinet de rit uitzit, weer opnieuw beginnen. Selectie van prioritaire thema’s  zal in samenwerking moeten gebeuren op basis van wetenschappelijke, maatschappelijke of economische criteria. De NWA mag bovendien niet ten koste gaan van ongebonden onderzoek. In de kabinetsreactie lezen wij onder het kopje ‘Implementatie’ beleidsvoornemens die het gevaar in zich bergen dat de balans te ver doorslaat naar de kant van limitatieve keuzes in thematisch geprogrammeerd onderzoek. Verschillende instrumenten in de tweede geldstroom, bijvoorbeeld de vernieuwingsimpuls, moeten wat mij betreft vooral gericht blijven op de ruimte voor ongebonden  onderzoek, zodat er ruimte blijft voor nieuwe ideeën. In de eerste geldstroom moet die financiële ruimte, die nu al sterk onder druk staat, groter worden in plaats van kleiner. Over deze punten moeten we nog stevige gesprekken voeren met de overheid.

Die extra financiering vanuit de overheid lijkt er niet te komen?
Het kabinet lijkt voornemens om de NWA uit bestaande middelen te financieren.  Dat is  ongewenst en onmogelijk. In de financiële paragraaf van de kabinetsreactie staat dat Nederland op dit moment te weinig investeert in wetenschap. Zonder extra middelen is er nauwelijks ruimte om met veelbelovende routes stevige stappen voorwaarts te maken. De kabinetsdoelstelling om 2,5% van het bbp uit te geven aan onderzoek en ontwikkeling is bij lange na nog niet bereikt. De kenniscoalitie is ervan overtuigd dat met de juiste extra investeringen de Wetenschapsagenda — een project dat zoveel enthousiasme en energie heeft opgewekt bij alle betrokkenen — nog jarenlang zal kunnen doorwerken in het Nederlandse onderzoeklandschap. Zo zijn investeringen nodig in eerste geldstroom van universiteiten en hogescholen, de NWO-thema’s, de Vernieuwingsimpuls, grootschalige en IT-infrastructuur en toegepast onderzoek. Daarom werken we in de Kenniscoalitie ook aan een omvangrijke investeringsagenda, gericht op een nieuw regeerakkoord.

En tot slot, hoe blijft de agenda levend?
De agenda blijft natuurlijk echt levend als partijen zich blijvend committeren aan het bijhouden van deze agenda. De kenniscoalitie moet daarom voortgaan op de ingeslagen weg. De samenwerking verloopt uitstekend en samen win je aan slagkracht, bijvoorbeeld in de richting van het kabinet. Wij zullen niet alleen in gesprek gaan met kabinet om terughoudendheid te bepleiten in het maken van inhoudelijke keuzes voor interessante routes, maar ook om te komen met nieuwe financiering. Wetenschappers, maatschappelijke organisaties en bedrijven moeten zich blijvend uitgenodigd voelen om de nu in de agenda opgenomen exemplarische routes verder uit te werken en nieuwe routes te ontwikkelen.