Print
 
 

Nieuwsberichten

VSNU blij met nationaal onderwijsakkoord

VSNU blij met nationaal onderwijsakkoord

Met de opening van het academisch jaar staan de universiteiten niet alleen aan het begin van een nieuw studiejaar, maar zetten ze ook samen met het po, vo, mbo en hbo een grote stap voorwaarts met het ondertekenen van het Nationaal Onderwijsakkoord. VSNU-voorzitter Karl Dittrich: ‘Ik beschouw het onderwijsakkoord als een fundament waardoor het wederzijds vertrouwen tussen overheid en sector kan worden versterkt.’


In het Nationaal Onderwijsakkoord spreekt het hele onderwijsveld de ambitie uit om tot de best presterende onderwijsstelsels ter wereld te behoren. Onderwijs is het fundament voor onze economie. De onderwijssectoren en vakbonden zetten in op goed onderwijs waarbij de student en docent centraal staan: van de basisschool tot en met de universiteit.

 

De verschillende schakels in de onderwijsketen zijn nauw met elkaar verbonden. Willen studenten succesvol zijn op de universiteit, dan is het van belang dat zij in het primair en voortgezet onderwijs de juiste docenten hebben. Een deel van de docenten wordt opgeleid door de universiteiten. De universiteiten onderstrepen in dit akkoord hun verantwoordelijkheid voor kwaliteitsverbetering in de hele onderwijsketen.

 

Het akkoord wordt per sector verder uitgewerkt. De inhoudelijke agenda ligt voor de universiteiten vast in het hoofdlijnenakkoord en de prestatieafspraken. Met deze afspraken zetten zij zich in voor meer studiesucces, hogere onderwijskwaliteit, kennisvalorisatie en profilering. Daarnaast zijn de universiteiten positief over de voornemens op het gebied van deregulering en administratieve lastenverlichting. De financiële gevolgen voor het hoger onderwijs worden bekend op Prinsjesdag.

 

Het slagen van het Nationaal Onderwijsakkoord vereist vertrouwen in de onderwijssector, consistentie in het beleid en duidelijkheid over de benodigde en reële investeringen. De VSNU roept de regering dan ook op om het onderwijsakkoord te respecteren en de gemaakte prestatieafspraken gestand te doen.