Print
 
 

Nederland dreigt toppositie als kennisland te verliezen door achterblijvende investeringen

Om een vooraanstaand kennisland te blijven en op dezelfde wijze te blijven bijdragen aan maatschappelijk welbevinden, moet Nederland blijven investeren in onderzoek en innovatie. Dit vraagt inzet van zowel het bedrijfsleven als de overheid. De afgelopen jaren is er steeds minder geïnvesteerd in onderzoek en innovatie. Een voorbeeld ervan is het besluit van de Europese Raad in juli 2020 om in de meerjarenbegroting voor 2021-2027 minder geld te reserveren voor Horizon Europe dan aanvankelijk begroot was. Dit zorgt ervoor dat de Nederlandse wetenschap in deze zeven jaar ongeveer €700 miljoen minder onderzoeksgelden ontvangt dan verwacht. Juist nu is het nodig om te investeren in Nederlands onderzoek en innovatie.


 

Thema's:

Nederlandse R&D investeringen zijn in internationaal perspectief laag

Investeringen in R&D renderen

Komende jaren minder geld uit Europa

Groeifonds geen oplossing voor tekort aan structurele bekostiging

 

 

Nederlandse R&D investeringen zijn in internationaal perspectief laag

 

In 2014 stelde de Europese Unie zich voor 2020 tot doel om in Europa de investeringen in R&D boven de 3% van het Bruto Binnenlands Product (BBP) te krijgen. Hieronder vallen de investeringen in R&D van zowel het bedrijfsleven als de overheid. Nederland heeft zich destijds een lagere doelstelling gesteld: 2,5% van het BBP. De afgelopen jaren rapporteerde Nederland consequent rond de 2% van het BBP in R&D te investeren en dus bij lange na de doelstelling van 2,5% niet te halen.

 

Door een nieuwe rekenmethode van het CBS in 2019 is met terugwerkende kracht vastgesteld dat in 2013 de investeringen in R&D slechts een omvang van 2,16% van het BBP hadden (Rathenau, 2020). In de recentste cijfers (2018) is dit nog steeds maar 2,16%. We staan dus ver achter ten opzichte van landen waarmee we ons in de wetenschap graag vergelijken. Bovendien raken we steeds verder achterop. Zo volgt Duitsland al tien jaar lang een stabiel groeipad met 3%-5% aanvullende middelen ieder jaar. Daaruit blijkt dat meer publieke investeringen ook leiden tot meer private investeringen. Recent heeft Duitsland daarom dit groeipad verlengd tot 2030, met de ambitie om van de huidige 3,13% door te groeien naar 3,5% van het Duitse BBP.


 

Nederland investeert minder in onderzoek en innovatie dan het gemiddelde OESO-land. Daardoor kan Nederland in de nabije toekomst een kennisachterstand oplopen op andere landen, in Europa en daarbuiten. Dit zal verstrekkende gevolgen hebben voor de internationale concurrentiepositie van Nederland. Ook de KNAW waarschuwt hiervoor in het advies ‘De aantrekkelijkheid van Nederland als onderzoeksland’ (p.34): 

 

“Na een toename in het begin van deze eeuw, gingen de R&D-uitgaven per onderzoeker in Nederland in 2010 en 2012 een stap omlaag. In Zweden is een nog grotere daling te zien vanaf 2012. In het Verenigd Koninkrijk is de situatie stabiel, terwijl de R&D-uitgaven per onderzoeker in de Verenigde Staten, Duitsland en China stijgen (UNESCO 2017). Wanneer deze trends doorzetten zal dat negatieve consequenties hebben voor de concurrentiepositie van Nederland.” 

 

 

Investeringen in R&D renderen

 

Uit talloze economische onderzoeken blijkt dat investeren in R&D loont. Zo rapporteert Soete (2017) in een studie naar de gestegen productiviteit in Nederland tussen 1975 en 2014 hoge opbrengsten als gevolg van publieke en private R&D. Deze investeringen trekken ook weer extra internationale investeringen aan. In een recentere studie van Soete (2020) vergelijkt hij deze effecten voor 17 landen. Landen als Nederland en Noorwegen profiteren in hoge mate van investeringen in R&D. 

 

Al eerder waarschuwde de AWTI in het rapport ‘Houd de basis gezond – prioriteiten voor extra investeringen in onderzoek en innovatie’ dat Nederland de totale investeringen in R&D moet verhogen om ook in de toekomst een vooraanstaand kennisland te zijn. Investeringen van de overheid hebben volgens de AWTI een belangrijke rol in het aanjagen van private investeringen in R&D.

 

 

 

 

Komende jaren minder geld uit Europa


In dat licht is het slecht nieuws dat de Europese Raad in juli 2020 besloot om in de meerjarenbegroting voor 2021-2027 minder geld te reserveren voor Horizon Europe dan aanvankelijk begroot was. Dit zorgt ervoor dat de Nederlandse wetenschap in deze zeven jaar ongeveer €700 miljoen minder onderzoeksgelden ontvangt dan verwacht. Nobelprijswinnaar Feringa zegt daarover in De Volkskrant (21-9-2020):

 

Wat veel mensen niet weten, is dat Nederland per hoofd van de bevolking van alle Europese landen het meeste ERC-geld binnenhaalt’, zegt Feringa. ‘We krijgen véél meer dan we erin stoppen.’ Nederland ontvangt sinds 2016 jaarlijks zo’n 180 miljoen euro aan ERC-beurzen. ‘En tweederde van dat geld gaat naar jonge onderzoekers’, zegt hij. ‘Van mijn promovendi gaat 95 procent het bedrijfsleven in. Die gaan werken bij de Shells, Unilevers en Akzo Nobels van deze wereld. Daar zorgen ze voor innovatie en geven ze de toekomstige maatschappij en economie vorm.’ Feringa maakt zich bovendien zorgen dat het Europees onderzoek internationaal op achterstand komt. ‘We leven in een enorm competitieve wereld’, zegt hij. ‘We dreigen op deze manier de concurrentieslag te verliezen.’
 

 

Groeifonds geen oplossing voor tekort aan structurele bekostiging


In 2020 presenteerde het kabinet de plannen voor een Groeifonds. Naast innovatie zet het fonds, dat over de komende vijf jaar in totaal 20 miljard euro beslaat, ook in op onderwijsvernieuwing en Leven Lang Ontwikkelen. Tegelijk hebben we hiermee nog geen oplossing voor de aanvraagdruk, matchingsdruk en werkdruk van onze medewerkers. Daarvoor zijn structurele investeringen in de basis van de wetenschap nodig. 


Het kabinet Rutte III investeert totaal €400 miljoen structureel per jaar extra in R&D, waaronder fundamenteel grensverleggend, toegepast en praktijkgericht onderzoek. In de Rijksbegroting 2021 die op Prinsjesdag 2020 werd gepresenteerd staan in tegenstelling tot eerdere jaren, geen onverwachte kortingen of taakstellingen. Deze stabiliteit is belangrijk, vooral in een tijd waarin docenten met man en macht werken aan het zo goed mogelijk laten doorgaan van het onderwijs. Structurele investeringen in universiteiten blijven hard nodig in het licht van de hoge werkdruk, de dalende rijksbijdrage per student en de noodzaak van investeringen in fundamenteel onderzoek.