Print
 
 

Universiteiten gaan zorgvuldig om met de beschikbare middelen

Universiteiten gaan op een verantwoorde manier om met publieke middelen. Zij doen dit door hun budget voornamelijk in te zetten voor hun primaire taken: onderwijs, onderzoek en valorisatie. De afgelopen jaren is het de universiteiten gelukt om de indirecte kosten (overhead) verder te verlagen.

Verantwoord omgaan met middelen betekent ook het bewaken van de financiële gezondheid op de lange termijn. Mede vanwege de dalende rijksbijdrage per student is dit geen eenvoudige opgave. Vergeleken met de andere onderwijssectoren is de financiële positie van universiteiten de afgelopen jaren flink verslechterd. De universiteiten zijn op dit moment nog gezond, maar er zit geen vet meer op de botten.
 
 
Positieve resultaten noodzakelijk om dit op te vangen
Onderstaande grafiek laat zien dat de rentabiliteit van een meerderheid van de universiteiten de afgelopen jaren positief was – deze universiteiten houden aan het eind van het jaar dus geld over. Dit lijkt in tegenspraak met de constatering dat het ‘vet van de botten is’. Dit is echter niet het geval.
 
De door OCW opgerichte Commissie Koopmans concludeerde in 1999 dat positieve resultaten nodig zijn om het weerstandsvermogen op peil te houden. Hiervoor zijn verschillende redenen:
  1. Universiteiten schrijven gebouwen en apparatuur af op basis van de historische kostprijs. Als universiteiten geen positieve resultaten boeken, moeten ze afgeschreven gebouwen en apparatuur dus vervangen tegen dezelfde prijs als waarvoor ze (tientallen) jaren geleden zijn aangeschaft. Gezien de inflatie en de  hogere eisen aan gebouwen en apparatuur is dit niet realistisch: universiteiten moeten positieve resultaten halen om voorzieningen op peil te kunnen houden.
  2. De universiteiten hebben een aanzienlijk eigen vermogen nodig om financiële risico’s af te dekken. Voorheen waren de risico’s beperkt omdat een groot deel van de inkomsten voor de lange termijn vast stond. Nu is een groter deel van de inkomsten variabel en afhankelijk van bijvoorbeeld studentenaantallen, aantal behaalde diploma’s en het succes van onderzoekaanvragen. Universiteiten hebben een hoger eigen vermogen nodig om de toenemende onzekerheid (en daarmee gepaard gaande risico’s) op te vangen.
  3. Universiteiten moeten geregeld grote investeringen doen in (nieuwe) gebouwen en laboratoria. Daarbij staat universiteiten voor een keuze: eerst geld sparen of geld lenen en later terugbetalen. Als een universiteit kiest voor lenen, moet er gedurende een lange periode rente betaald worden. Dit betekent dat deze publieke middelen niet ingezet kunnen worden voor de kerntaken onderwijs, onderzoek en valorisatie. Zeker bij een hoge rentestand heeft sparen daarom de voorkeur.

 
Bovenstaande visual laat overigens zien dat de liquiditeit en rentabiliteit over de jaren per universiteit sterk kunnen schommelen. Dit komt bijvoorbeeld doordat vaak meerdere universiteitsgebouwen tegelijkertijd zijn gebouwd. Het groot onderhoud, de renovatie of vervanging van deze gebouwen vindt vervolgens ook in een beperkte periode plaats. Dit heeft een groot effect op de uitgaven van de universiteit en de middelen die de universiteit in kas heeft.