Print
 
 

Matchingsdruk

 

Hoewel de Nederlandse universiteiten alles op alles zetten om het succes in Europa te behouden, zijn er zorgen. Projectsubsidies vanuit Europa (maar ook nationale projectsubsidies) dekken vaak niet alle onderzoekskosten. Het verschil tussen de volledige kosten en projectsubsidies moeten universiteiten zelf bijleggen. Deze ‘matching’ vanuit de eerste geldstroom holt de ruimte voor vrij onderzoek uit.



Doordat de matchingsdruk dus sterk gestegen is (en naar verwachting nog verder stijgt), lopen instellingen en onderzoeksgroepen die erg succesvol zijn (veel subsidies binnenhalen), tegen de grenzen van de matchingsruimte aan. Temeer omdat de 1e geldstroommiddelen voor onderzoek ongeveer gelijk zijn gebleven, maar het volume aan Europese projectsubsidies (3e geldstroom) fors is toegenomen. Succesvolle onderzoeksgroepen moeten subsidies afwijzen, omdat er simpelweg te weinig geld voor matching beschikbaar is. Zie voor meer informatie de factsheet over matching.
 

Stimulering Europees Onderzoek
Vanaf 2015 is er €50 miljoen extra beschikbaar gesteld vanuit OCW (voor alle kennisinstellingen, waaronder universiteiten maar ook onderzoeksinstellingen) om te kunnen matchen met H2020. De verwachting is dat dit bedrag jaarlijks rond de € 50 miljoen zal liggen.


Het EY-onderzoek stelt dat voor onderzoeksfinanciering vanuit de EU  een matchingsdruk geldt van maar liefst 43%. Dit komt neer op een huidige matchingsbehoefte van €149 miljoen. Het matchingsfonds van €50 miljoen per jaar is daarom nog niet toereikend. Kennisinstellingen hebben moeite om projecten te ‘matchen’ vanuit eigen middelen. Voor Nederland is dit probleem groter dan voor concurrerende landen, omdat het aandeel vaste kosten (waaronder infrastructuur) bij Nederlandse kennisinstellingen hoger ligt.

In juli 2015 heeft NWO deze nieuwe regeling voor ‘Stimulering Europees Onderzoek’ (SEO) bekendgemaakt. De omvang van de toekenning bedraagt voor 2015 en 2016 9% van de verworven middelen uit Horizon 2020, bij het afsluiten van het contract. Na twee jaar zal dit percentage worden geëvalueerd.