Print
 
 

Financiële positie van de universiteiten


De financiële positie van de Nederlandse met publieke middelen gefinancierde universiteiten is stabiel. Tot die conclusie komt de Inspectie van het Onderwijs in de meest recente editie van de Staat van het Onderwijs. Het behoud van een degelijke financiële positie is niet evident gezien bijvoorbeeld de dalende rijksbijdrage per student en de toenemende onzekerheid over toekomstige financiering.

Hier leest u meer over de achtergrond van de huidige financiële positie van universiteiten en de verwachtingen voor de toekomst. Dit sectorbeeld is een optelsom van de positie van de 14 individuele universiteiten. Aan de rechterzijde van deze pagina kunt u een beknopte toelichting op de financiële positie per universiteit raadplegen. Hieruit blijkt dat de financiële positie onderling verschilt gezien de specifieke context van elke instelling: waar de ene universiteit al volop aan het investeren is, is de andere universiteit aan het sparen om toekomstige investeringen te kunnen financieren.

Sector laat degelijk financieel beeld zien
Onderstaande tabel laat zien dat de financiële positie van de universiteiten op dit moment degelijk is. De solvabiliteit – de verhouding tussen het eigen vermogen en het vreemd vermogen – is vrijwel constant gebleven rond 49%. Uit de liquiditeitspositie van bijna 1 blijkt dat de universiteiten in staat zijn om ook op korte termijn aan hun financiële verplichtingen te voldoen.

 

 Financiële positie van de gezamenlijke universiteiten

 

De tabel laat ook zien dat de universiteiten de afgelopen jaren gezamenlijk een positief exploitatieresultaat behalen. Dit wil niet zeggen dat universiteiten geld onnodig oppotten. De door OCW opgerichte Commissie Koopmans concludeert dat positieve resultaten nodig zijn om het weerstandsvermogen op peil te houden. Hiervoor zijn verschillende redenen:


1.    Universiteiten schrijven gebouwen en apparatuur af op basis van de historische kostprijs. Als universiteiten geen positieve resultaten boeken, moeten ze afgeschreven gebouwen en apparatuur dus vervangen tegen dezelfde prijs als waarvoor ze (tientallen) jaren geleden zijn aangeschaft. Gezien de inflatie en de hogere eisen aan gebouwen en apparatuur is dit niet realistisch: universiteiten moeten positieve resultaten halen om voorzieningen op peil te kunnen houden.

2.    De universiteiten hebben een aanzienlijk eigen vermogen nodig om financiële risico’s af te dekken. Een steeds groter deel van de inkomsten van universiteiten is variabel en daardoor nemen de onzekerheid en risico’s toe. Meer hierover kunt u lezen onder de kop ‘behoud solide positie niet eenvoudig’.

3.    Universiteiten moeten geregeld grote investeringen doen in (nieuwe) gebouwen en laboratoria. Daarbij staan universiteiten voor een keuze: eerst geld sparen of geld lenen en later terugbetalen. Als een universiteit kiest voor lenen, moet er gedurende een lange periode rente betaald worden. Dit betekent dat deze publieke middelen niet ingezet kunnen worden voor de kerntaken onderwijs, onderzoek en valorisatie. Zeker bij een hoge rentestand heeft sparen daarom de voorkeur.

 

Behoud solide positie niet eenvoudig
De financiële positie van universiteiten is solide, maar is de afgelopen jaren wel minder sterk geworden. Cijfers van het CBS tonen aan dat in de periode 1998 – 2014 de financiële kengetallen solvabiliteit, liquiditeit en weerstandsvermogen in de sector wo het meest gedaald zijn.


Ontwikkeling financiële kengetallen onderwijssectoren, mutatie 2014 ten opzichte van 1998

 

De degelijke financiële positie van universiteiten kan onder druk komen te staan door de toenemende onzekerheid over toekomstige financiering. Het overgrote deel (circa 80%) van de universitaire lasten, zoals personeels-, huisvestings- en afschrijvingslasten, ligt relatief vast. Dit maakt dat universiteiten gebaat zijn bij zekerheid over de inkomsten op de lange termijn. Sinds 2011 spelen variabele componenten - denk aan studentenaantallen en diploma’s - echter een steeds grotere rol bij de verdeling van de rijksbijdrage. Recent genomen maatregelen als de aftopping van de promotiecomponent verminderen de toenemende onzekerheid maar in beperkte mate. Naast de grote onzekerheid over de rijksbijdrage, zijn universiteiten voor hun onderzoeksfinanciering immers steeds meer afhankelijk van de nog onzekerdere tweede en derde geldstroom; het aantal door NWO en de EU goedgekeurde onderzoeksvoorstellen kan per jaar sterk schommelen.

 

Deze context maakt het voor universiteiten erg lastig dat in 2017 lang onzekerheid bestond over de toekenning van de studievoorschot- en prestatieafspraak-middelen in 2018. Ook is het voor universiteiten elk jaar onzeker of stijgende studentenaantallen en stijgende lonen en prijzen worden omgezet in een hogere rijksbijdrage. Dit is in het verleden niet altijd het geval geweest en dus kunnen de universiteiten hier niet bij voorbaat van uitgaan. Onderstaande grafiek laat zien dat er vaak pas in het najaar duidelijkheid komt over bijstellingen van het bedrag dat universiteiten van de overheid ontvangen. Het is dan lastig voor universiteiten om extra middelen nog in hetzelfde kalenderjaar uit te geven. De bijstellingen vertalen zich daardoor in hogere exploitatieresultaten.

 

Ook de dalende rijksbijdrage per student is een belangrijke bedreiging voor de degelijke financiële positie van universiteiten. De rijksbijdrage heeft de afgelopen jaren geen gelijke tred gehouden met de enorme groei van de studentaantallen: universiteiten krijgen veel minder geld per student dan 10 of 20 jaar terug.

 
Toekomstverwachting: noodzakelijke investeringen leiden tot lagere exploitatieresultaten

Huisvesting en faciliteiten zijn cruciaal voor goed onderwijs en onderzoek. Zonder modern laboratorium geen baanbrekend onderzoek en zonder voldoende ruimte in collegezalen en studieruimtes geen toegankelijk onderwijs. De Nederlandse universiteiten hebben in 1995 de huisvesting en faciliteiten in eigen beheer gekregen. Universiteiten zijn sindsdien verantwoordelijk voor onderhoud, renovatie en nieuwbouw. Daarmee kan elke universiteit zelf afwegen hoe het onderwijs en onderzoek het best gefaciliteerd kunnen worden

Het in beheer krijgen van de huisvesting betekent ook dat universiteiten de investeringen grotendeels zelf moeten financieren. Investeringen financieren met eigen vermogen is goedkoper dan met vreemd vermogen. Om de kosten van leningen niet ten koste van de middelen voor onderwijs en onderzoek te laten gaan, kiezen universiteiten er voor om hun investeringen zoveel mogelijk te financieren met eigen middelen en daarvoor dus eerst te sparen. Dit verklaart mede de groei van de liquide middelen bij universiteiten die aan de vooravond van nieuwe investeringen staan.


Gezien het feit dat een groot deel van de universitaire huisvesting en faciliteiten is verouderd, doen veel universiteiten nu of in de nabije toekomst een beroep op hun financiële middelen om de noodzakelijke investeringen te financieren. Naast het opknappen of vervangen van gebouwen, vragen de onderwijs- en onderzoekambities van de universitaire gemeenschap om investeringen in onderwijsruimtes, studieplekken en werkplekken. We zien dan ook in de financiële toekomstverwachting terug dat universiteiten verwachten dat de liquide middelen en de exploitatieresultaten in de toekomst zullen afnemen.

Ontwikkeling financiële positie universiteiten 2016-2019

Naast de noodzakelijke investeringen in de universitaire huisvesting en faciliteiten, hebben universiteiten toegezegd om, vooruitlopend op de opbrengsten uit de invoering van het studievoorschot, extra investeringen te doen in de kwaliteit van onderwijs. Het gaat om investeringen in de jaren 2015, 2016 en 2017 van in totaal minimaal €200 miljoen. In 2015 hebben universiteiten bijna €77 miljoen aan voorinvesteringen gedaan en in 2016 €105 miljoen. Voor 2017 staan nog eens €120 miljoen aan voorinvesteringen begroot. De komende jaren wordt er een stijging van het aantal studenten verwacht. Om studenten kwalitatief goed onderwijs te kunnen bieden, zijn in de eerste plaats extra docenten nodig, maar kan aanpassing van de huisvesting ook nodig zijn. Kleinschaliger onderwijs vraagt om meer kleine collegezalen en meer flexibele ruimtes. Ook moet worden geïnvesteerd in ICT-voorzieningen die toegerust zijn op leervormen als webcolleges, flipped classrooms en blended learning.

Voor vragen over de financiële positie van een individuele universiteit, kan contact worden opgenomen met de desbetreffende universiteit.
 

 

[1] Inspectie van het Onderwijs, De staat van het Onderwijs 2015-2016, p. 184.

[2] Het weerstandsvermogen is berekend als het eigen vermogen gedeeld door de totale baten.

[3] De solvabiliteit is berekend als het eigen vermogen gedeeld door het totaal vermogen.

[4] De liquiditeit is berekend als de vlottende activa gedeeld door het kort vreemd vermogen.

[5] De rentabiliteit is berekend als het exploitatieresultaat gedeeld door de totale baten.