Print
 
 

Toelichting op de financiële positie van de universiteiten



De financiële positie van de Nederlandse met publieke middelen gefinancierde universiteiten is solide. De Inspectie van het Onderwijs komt tot die conclusie op basis van de cijfers over de periode 2010-2014 en de vooruitzichten voor de toekomst in de jaarverslagen. Achter deze sterke financiële positie zit een verhaal. Zo begroten universiteiten voorzichtig vanwege grote onzekerheden in de financiering en moet er worden gespaard om investeringen in onderzoek, onderwijs en daarvoor ook in huisvesting en faciliteiten te kunnen financieren. Hier leest u meer over de achtergrond van de huidige financiële positie van universiteiten en de verwachtingen voor de toekomst. Dit sectorbeeld is een optelsom en gemiddelde van de individuele universiteiten met onderliggende verschillen en een specifieke context.



Bovenstaande tabel laat zien dat in de periode 2010-2015 het eigen vermogen van de universiteiten is gestegen, mede door positieve exploitatieresultaten. De solvabiliteit – de verhouding tussen het eigen vermogen en het vreemd vermogen –is vrijwel constant gebleven op 49%. Dit laat zien dat de opbouw van het eigen vermogen gelijke tred heeft gehouden met de opbouw van het vreemd vermogen. Tot 2000 lag de solvabiliteit van de sector echter nog rond de 60%. De Commissie Koopmans (1999) concludeerde dat universiteiten een aanzienlijk eigen vermogen nodig hebben om financiële risico’s te kunnen opvangen (de bufferfunctie van het eigen vermogen) en om activa te kunnen financieren (de financieringsfunctie van het eigen vermogen).


De omvang van de liquide middelen van de gezamenlijke universiteiten is in de periode 2010 – 2015 toegenomen: sommige universiteiten hebben in deze periode gespaard en/of geleend. Overigens bestaat een aanzienlijk deel van de liquide middelen van universiteiten uit vooruitontvangen bedragen, zoals bijvoorbeeld collegegelden en onderzoeksmiddelen.  Deze middelen zijn niet vrij besteedbaar, omdat hiervoor nog activiteiten moeten worden uitgevoerd die evenredig kosten met zich meebrengen. De liquiditeitsratio, het vermogen om op de korte termijn aan de verplichtingen te voldoen, is in de sector wo (2014: 0,98) lager dan gemiddeld over alle onderwijssectoren (2014: 1,33). Het werkkapitaal van de gezamenlijke Nederlandse universiteiten is derhalve negatief.


Ten opzichte van de totale baten was het exploitatieresultaat in 2015 2,0% (de rentabiliteit). Het sectorresultaat is hoger uitgevallen dan begroot. Redenen hiervoor zijn bijvoorbeeld de hoger uitgevallen Rijksbijdrage, hoger uitgevallen inkomsten uit collegegelden en hoger uitgevallen overige baten (bijv. uit contractonderwijs- en onderzoek). Bij een aantal universiteiten zijn (ook) de lasten lager uitgevallen dan begroot, bijvoorbeeld door nog niet ingevulde vacatures. Universiteiten hebben jaarlijks een positief exploitatieresultaat nodig om de vermogenspositie, gecorrigeerd voor inflatie, op peil te houden. De Commissie Koopmans (1999) concludeerde dat dit voor universiteiten van groot belang is, aangezien universiteiten hun faciliteiten en huisvesting afschrijven op basis van de historische kostprijs.


Cijfers van het CBS tonen aan dat in de periode 1998 – 2014 de financiële kengetallen solvabiliteit, liquiditeit en het weerstandsvermogen van alle onderwijssectoren in de sector wo het meest gedaald zijn.


 

Universiteiten houden rekening met onzekerheden in de financiering

Universiteiten gaan prudent om met publieke middelen en begroten behoedzaam.  Dit omdat de universiteiten - omwille van de continuïteit - rekening moeten houden met onzekerheden in hun financiering. De financiering van universiteiten is onder meer afhankelijk van fluctuerende aantallen studenten, honorering van onderzoeksprojecten, opdrachten van derden (zoals contractonderzoek), de rentestand en de loon- en prijscompensatie vanuit de overheid. Daarnaast is er sprake van een verschuiving van de relatief zekere eerste geldstroom naar de meer onzekere tweede en derde geldstroom. Bovendien heeft de groei van de studentaantallen geen gelijke tred gehouden met de compensatie via de rijksbijdrage. De invoering van een driejarig gemiddelde in de onderzoekbekostiging dempt de onzekerheid in enige mate.

Het is nog onduidelijk voor universiteiten op welk aandeel ze kunnen rekenen van de opbrengsten uit het studievoorschot, terwijl ze al wel voorinvesteringen doen in de jaren 2015-2017. De financiering die is gekoppeld aan de prestatieafspraken (5% van het onderwijsdeel van de rijksbijdrage) is voorwaardelijke financiering en het is nog onduidelijk wat er vanaf 2017 met de profileringsmiddelen (2% van het onderwijsdeel van de rijksbijdrage) gebeurt. De VSNU heeft becijferd dat er op dit moment onduidelijkheid is over de verdeling van tenminste €200 miljoen van de rijksbijdrage voor 2017. Terwijl de financiering van de universiteiten veel onzekere factoren kent, ligt het overgrote deel van de universitaire lasten relatief vast. De personeels-, huisvestings- en afschrijvingslasten omvatten circa 80% van de totale lasten. Universiteiten willen het aantal tijdelijk contracten verder verminderen, om dit te bereiken is er meer zekerheid over de inkomsten nodig.

Ook op faculteitsniveau kan er sprake zijn van behoedzaam begroten, wat vervolgens kan bijdragen aan het totale positieve exploitatieresultaat van de universiteit. Een aantal universiteiten heeft recent met hun Raad van Toezicht afgesproken dat het mogelijk moet zijn om (tijdelijk) negatief te begroten.

De bijstellingen van de rijksbijdrage vormen een belangrijke factor van onzekerheid in de financiering. De hoogte van de rijksbijdrage wordt deels bepaald door het aantal ingeschreven studenten. Wanneer het aantal ingeschreven studenten anders uitvalt dan geraamd, wordt de rijksbijdrage tussentijds door het kabinet naar boven of beneden bijgesteld. De loon- en prijscompensatie is niet gegarandeerd en wordt pas in de loop van het jaar bekend en uitgekeerd. Dit maakt het voor universiteiten lastig om bijstellingen nog in hetzelfde kalenderjaar uit te geven. Ter illustratie: over de periode 2010-2015 was het exploitatieresultaat van alle universiteiten bij elkaar opgeteld ongeveer €655 miljoen. In diezelfde periode keerde OCW voor ongeveer €518 miljoen aan niet te voorziene bijstellingen uit gedurende het begrotingsjaar, vooral in het najaar. In 2015 bedroeg de totale bijstelling van de Rijksbijdrage €64 miljoen, dit is 49% van het totale sectorresultaat over 2015. Universiteiten investeren deze middelen in latere jaren in onderzoek, onderwijs, faciliteiten en huisvesting en voeren daarover overleg met de medezeggenschap en de Raad van Toezicht.


Onderstaande grafiek laat de omvang en timing van de bijstellingen van OCW zien en de parallelle ontwikkeling van de exploitatieresultaten in de sector wo. Een nadere toelichting per universiteit vindt u via de links rechts onderaan deze pagina.


 
Universiteiten sparen om noodzakelijke investeringen in hun vastgoed te kunnen doen

De Nederlandse universiteiten hebben in 1995 de huisvesting en faciliteiten in eigen beheer gekregen. Universiteiten zijn sindsdien verantwoordelijk voor onderhoud, renovatie en nieuwbouw. Daarmee kunnen op instellingsniveau de afwegingen worden gemaakt om het onderwijs en onderzoek te faciliteren. Deze taak betekent ook dat universiteiten de investeringen grotendeels zelf moeten financieren, waarbij financieren met eigen vermogen over het algemeen goedkoper is dan met vreemd vermogen. Om de kosten van leningen niet ten koste van de middelen voor onderwijs en onderzoek te laten gaan, kiezen universiteiten er voor om hun investeringen zoveel mogelijk te financieren met eigen middelen en daarvoor dus eerst te sparen. Dit verklaart mede de groei van het eigen vermogen en liquide middelen in de afgelopen jaren.


Gezien het feit dat een groot deel van de universitaire huisvesting en faciliteiten is verouderd, doen veel universiteiten nu of in de nabije toekomst een beroep op hun financiële middelen om de noodzakelijke investeringen te financieren. Naast het opknappen of vervangen van gebouwen, vragen de onderwijs- en onderzoekambities van de universitaire gemeenschap om investeringen in onderwijsruimtes, studieplekken en werkplekken. We zien dan ook in de financiële toekomstverwachting terug dat universiteiten verwachten dat de financiële middelen en de exploitatieresultaten in de toekomst zullen afnemen.


Toekomstige investeringen zorgen voor een afname van de financiële positie

In de periode 2015 – 2018 wordt een aanzienlijke krimp in de liquide middelen verwacht: een reductie van 65%. De verwachting is dat het gezamenlijke exploitatieresultaat in de komende jaren negatief is. Het eigen vermogen ligt vast in apparatuur, laboratoria, gebouwen en terreinen en zal naar verwachting iets in omvang dalen.


Naast de noodzakelijke investeringen in de universitaire huisvesting en faciliteiten, hebben universiteiten toegezegd om, vooruitlopend op de opbrengsten uit de invoering van het studievoorschot, extra investeringen te zullen doen in de kwaliteit van onderwijs en onderzoek. Het gaat om investeringen in de jaren 2015, 2016 en 2017 van in totaal € 200 miljoen. In 2015 hebben universiteiten bijna €77 miljoen aan voorinvesteringen gedaan, voor 2016 is €143 miljoen begroot. De komende jaren wordt er een stijging van het aantal studenten verwacht. Om studenten kwalitatief goed onderwijs te kunnen bieden, zijn in de eerste plaats extra docenten nodig, maar is aanpassing van de huisvesting ook noodzakelijk. Kleinschaliger onderwijs vraagt om meer kleinere collegezalen en meer flexibele ruimtes. Ook moet worden geïnvesteerd in ICT-voorzieningen die toegerust zijn op leervormen als webcolleges, flipped classrooms en blended learning.
 

De financiële positie van individuele universiteiten

De financiële posities van individuele universiteiten kunnen aanzienlijk van elkaar verschillen. Een belangrijke verklaring is dat universiteiten zich in een verschillende fase van de investeringscyclus bevinden: waar de ene universiteit al volop aan het investeren is, is de andere universiteit aan het sparen om toekomstige investeringen te kunnen financieren. Aan de rechterzijde van deze pagina kan worden doorgeklikt naar een beknopte toelichting op de financiële positie en actuele context van de 14 Nederlandse researchuniversiteiten.


Voor vragen over de financiële positie van een individuele universiteit, kan contact worden opgenomen met de desbetreffende universiteit.
 

[1] Inspectie van het Onderwijs, De financiële situatie in het onderwijs 2014, pp. 18 - 20.

[2] De solvabiliteit is berekend als het eigen vermogen gedeeld door het totaal vermogen.

[3] De rentabiliteit is berekend als het exploitatieresultaat gedeeld door de totale baten.

[4] Inspectie van het Onderwijs, De financiële situatie in het onderwijs 2014, pp. 4 & 19.

[5] Deze verhouding kan zich vanaf 2018 gaan verbeteren door vrijval van de studievoorschotmiddelen via de eerste geldstroom, afhankelijk van de invulling van de kwaliteitsafspraken en de mate van voorwaardelijkheid van financiering daarbij.