Print
 
 

Financiering van wetenschappelijk personeel

 

Tijdelijke onderzoekssubsidies steeds belangrijker

De eerste geldstroom (rijksbijdrage) vormt historisch gezien de basis voor het onderzoek aan de universiteiten. Hieruit betalen de universiteiten de salarissen van een groot aantal wetenschappers en de onderzoeksinfrastructuur (denk aan laboratoria, bibliotheken, werkplekken, ICT, etc.). De afgelopen jaren is de eerste geldstroom echter gedaald. Uit onderstaande figuur blijkt dat steeds minder wetenschappelijk personeel van universiteiten wordt gefinancierd uit de eerste geldstroom.

In dezelfde periode zijn de tweede en derde geldstroom juist steeds belangrijker geworden. Deze geldstromen bestaan met name uit tijdelijke subsidies die universiteiten ontvangen van onder meer NWO en de EU voor specifieke onderzoeksprojecten. Onderstaand figuur laat zien dat het salaris van steeds meer wetenschappers uit de tweede en derde geldstroommiddelen komt.

 




Minder geld beschikbaar voor vrij onderzoek


Deze ontwikkelingen leiden er toe dat universiteiten steeds minder ruimte hebben om te bepalen wat belangrijke onderzoeken zijn die gefinancierd moeten worden. Het geld uit de 2e en 3e geldstroom betreft immers subsidies voor specifieke projecten. De financiers (en niet de universiteiten) bepalen welke onderzoeken wel en niet gesubsidieerd worden. Bovendien zijn de budgetten die worden toegekend vaak niet toereikend voor het uitvoeren van deze projecten. Zo worden vaak wel de salarissen van de onderzoekers gesubsidieerd, maar bijvoorbeeld niet de laboratoria waar ze voor hun onderzoek gebruik van moeten maken. Deze extra kosten moeten de universiteiten bijleggen vanuit de eerste geldstroom. Nu wordt naar schatting €1.750 miljoen uit de eerste geldstroom (in de vorm van onder meer promotiebegeleiding, onderzoeksinfrastructuur, huisvesting) besteed aan cofinanciering van projecten uit de tweede en derde geldstroom. Er blijft daardoor steeds minder geld over uit de eerste geldstroom waarvan wetenschappers zelf kunnen beslissen hoe dit ingezet wordt.

Deze ontwikkeling wordt versterkt doordat het Rijk tot 2010 jaarlijks circa een half miljard euro in wetenschappelijk onderzoek investeerde uit de aardgasbaten. Na 2010 zijn deze investeringen achterwege gebleven. Daarnaast verminderde de ruimte voor ongebonden onderzoek door het Topsectorenbeleid, waardoor vooral het onderzoek buiten de topsectoren in de knel is gekomen.