Print
 
 

Bekostiging universiteiten

 

De inkomsten van de Nederlandse universiteiten zijn grofweg onder te verdelen in drie geldstromen. Naast inkomsten uit de rijksbijdrage (de eerste geldstroom) ontvangen universiteiten middelen van de NWO en KNAW voor specifieke onderzoeksprojecten (de tweede geldstroom). De derde geldstroom bestaat uit overige inkomsten, zoals middelen uit de EU, contractonderwijs of –onderzoek en collectebusfondsen. Tenslotte is het collegegeld een bron van inkomsten. Universiteiten mogen een wettelijk vastgesteld collegegeld rekenen voor de opleidingen die zij aanbieden. Een deel van de studenten die niet meetellen voor bekostiging, betaalt het zogenaamde instellingscollegegeld, een bedrag dat in veel gevallen hoger is dan het reguliere wettelijke collegegeld.

 

 

 

De eerste geldstroom

De eerste geldstroom vanuit de overheid, ook wel de rijksbijdrage genoemd, vormt de basis voor onderwijs- en onderzoeksactiviteiten van de universiteiten. Deze bijdrage vormt het grootste deel van de financiering van de basisinfrastructuur van elke universiteit: salarissen van docenten en onderzoekers, onderwijs en onderzoek zelf, laboratoria, bibliotheken, gebouwen, ondersteunende medewerkers en staf. De omvang van de rijksbijdrage wordt ieder jaar door het kabinet in de begrotingswet vastgesteld. Met de rijksbijdrage brengt een universiteit haar wettelijke taken op het gebied van wetenschappelijk onderwijs en onderzoek tot uitvoering. De rijksbijdrage bedraagt in 2014 3,6 miljard (excl. medische ziekenhuizen). Dit is 0,54% van het BBP. Ter vergelijking, de inkomsten van Harvard zijn $ 4,4 miljard.

 

Onderwijsdeel
Het deel van de rijksbijdrage dat wordt besteed aan het wetenschappelijk onderwijs op universiteiten, wordt het onderwijsdeel genoemd. Deze component is gebaseerd op diploma’s, studenteninschrijvingen en basisfinanciering.

Onderzoeksdeel
Het deel dat gebruikt wordt om de basisvoorzieningen voor het wetenschappelijk onderzoek te financieren, wordt het onderzoekdeel genoemd. Deze component is gebaseerd op diploma’s, promoties en basisfinanciering.

 

De universiteiten krijgen deze middelen rechtstreeks uitgekeerd in de vorm van een lumpsum. Een universiteit bepaalt dus zelf hoe het geld over faculteiten wordt verdeeld.

De afgelopen veertig jaar investeert de overheid steeds minder (een kleiner percentage van het BBP) in de sector hoger onderwijs. Aangezien het aantal studenten groeit, daalt de rijksbijdrage per student voortdurend.

 

De tweede geldstroom

De tweede geldstroom van de universiteiten omvat subsidies van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) en de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW). Deze onderzoeksmiddelen worden veelal op basis van competitie verdeeld onder onderzoekers en onderzoeksinstellingen. Er bestaan inmiddels vele soorten programma’s en beurzen voor allerlei soorten wetenschap en wetenschappers, zoals de Veni-, Vidi- en Vici-beurzen of de beurzen voor aanstormend talent. De tweede geldstroom komt voor een belangrijk deel terecht bij onderzoekers en onderzoeksgroepen in de vorm van persoonsgebonden of projectgebonden subsidies. De tweede geldstroom bedraagt in 2014 ongeveer € 540 miljoen, oftewel 0,08% van het BBP.

 

De derde geldstroom

De derde geldstroom omvat de overige inkomsten van de universiteiten. Zo ontvangen universiteiten middelen voor de uitvoering van contractonderwijs en contractonderzoek. Daarnaast vormen collectebusfondsen en specifieke doelsubsidies van Nederlandse ministeries en de Europese Unie, zoals Horizon2020, een belangrijk deel van de derde geldstroom. Nederland scoort van oudsher goed tot zeer goed in deze Europese programma’s. Een ander deel van de derde geldstroom bestaat uit bedrijfsmatige inkomsten, zoals van mensa, verhuur en reproductie. De derde geldstroom is de afgelopen jaren fors toegenomen, in tegenstelling tot de eerste geldstroom. De derde geldstroom bedraagt in 2014 ongeveer € 1,7 miljard, oftewel 0,26% van het BBP.
Terwijl het aandeel van de eerste geldstroom de afgelopen jaren is afgenomen, zijn de inkomsten van de universiteiten uit de tweede en derde geldstroom toegenomen. Universiteiten worden daardoor steeds afhankelijker van de tweede en derde geldstroom. Als gevolg daarvan neemt de matchingsdruk verder toe.

 

Internationale vergelijking

Uit onderstaande grafiek blijkt dat Nederland relatief weinig public funding krijgt in vergelijking met andere landen uit de EU. Nederlandse universiteiten behalen relatief veel additionele financiering.






 

 
Laatst bijgewerkt op 04-03-2016